Hof Arnhem-Leeuwarden 24 september 2013 nr. 12/00661

4Beoordeling van het geschil

(Voorwaardelijk) opzet

4.1Aan belanghebbende zijn op grond van artikel 67f van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) boetes opgelegd ter zake van het vergrijp dat het aan haar (voorwaardelijke) opzet is te wijten dat te weinig omzetbelasting op de aangiften over tijdvakken gelegen in de jaren 2005 tot en met 2009 is betaald.

4.2

Het Hof is met de Rechtbank van oordeel dat belanghebbende te dezen voorwaardelijk opzet kan worden verweten. Gelet op de omstandigheid dat belanghebbende een administratiekantoor drijft, acht het Hof aannemelijk dat de vennoten – en dus belanghebbende – hebben geweten dat belanghebbende gehouden was de volledige omzet van de door haar verrichte belastbare feiten in de administratie en in de aangiften omzetbelasting te verantwoorden. Door dit na te laten heeft zij willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat te weinig belasting zou worden betaald.

Vrijwillige verbetering

4.3Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat sprake is van vrijwillige verbetering. Ter onderbouwing voert zij aan dat de juiste en volledige bedragen aan omzetbelasting in de jaarrekeningen zijn vermeld en dat deze kenbaar zijn gemaakt aan de Belastingdienst. De ingediende suppletieaangiften stemmen volgens haar precies overeen met deze bedragen.

4.4Het Hof vat belanghebbendes betoog op als een beroep op respectievelijk § 28, lid 3 (tekst voor de jaren 2005 tot en met 2008) respectievelijk § 25, lid 12 (tekst vanaf 1 januari 2009) van het Besluit bestuurlijke boeten belastingdienst 1998 (BBBB), juncto § 5 van het BBBB.

4.5In de genoemde bepalingen van het BBBB is voor de onderhavige jaren bepaald dat de inspecteur geen vergrijpboete oplegt, indien de belasting die op aangifte moet worden voldaan of afgedragen, niet of gedeeltelijk niet is betaald maar belanghebbende, vóórdat hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat de inspecteur bekend is of zal worden met dat feit, schriftelijk uitdrukkelijk kenbaar maakt aan de inspecteur dat en tot welk bedrag niet of gedeeltelijk niet is betaald.

4.6Het (als bijlage bij een winstaangifte) versturen van een jaarrekening aan de Inspecteur waarin is vermeld dat belanghebbende een omzetbelastingschuld had, wat daarvan overigens ook zij, kan naar het oordeel van het Hof niet als “uitdrukkelijk kenbaar maken” worden beschouwd.

4.7De suppletieaangiften die belanghebbende heeft gedaan bij brief van 30 juni 2010 kunnen evenmin worden beschouwd als vrijwillige verbeteringen. Voordat belanghebbende die suppletieaangiften had ingediend, hadden de controlerend ambtenaren namelijk al geconstateerd dat de aansluitingen niet klopten en belanghebbende verzocht de aansluitingsberekeningen alsnog te maken. Alsdan kan niet worden geconcludeerd dat de suppletieaangiften zijn gedaan vóórdat belanghebbende wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat de Inspecteur bekend was of zou worden met het feit dat te weinig belasting was betaald.

4.8In het controlerapport is vermeld dat de administratie van 2007 tot en met 2009 niet is gecontroleerd. Hieruit leidt het Hof af dat de in 4.7 bedoelde constatering van de controlerend ambtenaren alleen betrekking kan hebben op de jaren 2005 en 2006. Dit leidt het Hof echter niet tot het oordeel dat met betrekking tot de suppletieaangiften over de jaren 2007 tot en met 2009 wél sprake is van vrijwillige verbeteringen. Doordat de controlerend ambtenaren het onderzoek naar de jaren 2005 en 2006 reeds hadden aangevangen en belanghebbende moet hebben geweten dat de aansluitingen niet alleen over die jaren, maar ook over de daaropvolgende jaren, niet klopten, moest belanghebbende redelijkerwijs vermoeden dat de Inspecteur ook bekend zou worden met het feit dat over de jaren 2007 tot en met 2009 te weinig omzetbelasting was betaald.

4.9Belanghebbende heeft voorts een beroep gedaan op (§ 7, lid 1, letter a juncto) § 7, lid 3 van het BBBB (tekst vanaf 1 januari 2010). Een gelijkluidende bepaling was in de onderhavige jaren opgenomen in § 44 van het BBBB (teksten voor de jaren 2005 tot en met 2008) en § 7, lid 1, letter a juncto § 7, lid 2 van het BBBB (tekst 2009). Daarin is bepaald dat een inspecteur een boete gedeeltelijk kan matigen indien en voor zover de aan het eind van een kalenderjaar of (gebroken) boekjaar verschuldigde omzetbelasting openlijk en als zodanig ter kennis is gebracht door middel van een vereiste winstaangifte zonder dat sprake is van een volledige vrijwillige verbetering als bedoeld in § 5 van het BBBB.

4.10

Op grond van de stukken van het geding heeft belanghebbende, tegenover de gemotiveerde betwisting door de Inspecteur (zie 6.2 van de verweerschriften in hoger beroep), niet aannemelijk gemaakt dat belanghebbende de – door middel van de onderhavige naheffingsaanslagen nageheven – verschuldigde omzetbelasting in haar winstaangiften heeft vermeld.

Wanverhouding

4.11Ter onderbouwing van haar standpunt dat sprake is van een wanverhouding tussen de hoogte van de in totaal opgelegde boetes en de ernst van de gedraging, heeft belanghebbende aangevoerd dat zij naar aanleiding van één boekenonderzoek over vijf verschillende jaren een vergrijpboete heeft opgelegd gekregen die betrekking heeft op dezelfde doorlopende gedraging, namelijk het niet betalen van omzetbelasting.

4.12Op basis van artikel 67f, lid 1, van de AWR bedraagt de boete ten hoogste 100% van het bedrag van de belasting dat (voorwaardelijk) opzettelijk niet of niet tijdig is betaald. Te dezen is een boete opgelegd van 50% van de niet (tijdig) betaalde omzetbelasting.

4.13De onderhavige boetes zijn opgelegd vanwege “het niet (tijdig) betalen van belasting” over een tijdvak van telkens een jaar. Dit leidt het Hof echter niet tot het oordeel dat sprake is van herhaalde beboeting wegens hetzelfde feit. Belanghebbende heeft voor ieder aangiftetijdvak de keuze gemaakt – steeds wisselende – belastingbedragen niet (tijdig) te betalen. Er is geen sprake van hetzelfde feit (of – zoals belanghebbende het noemt – van een doorlopende gedraging), maar van een repeterend feit. Een andersluidend oordeel zou tot het ongerijmde gevolg leiden dat de omvang van de beboeting ter zake van het niet voldoen aan de betalingsverplichting over een en hetzelfde belastingtijdvak afhankelijk is van de omstandigheid of de inspecteur ter correctie daarvan slechts één, dan wel verschillende naheffingsaanslagen oplegt (vgl. HR 17 september 2010, nr. 07/10043, LJN BD3160, BNB 2011/16).

4.14

Het evenredigheidsbeginsel brengt mee dat de boete niet onevenredig mag zijn in verhouding tot de ernst van de gedraging op grond waarvan zij is opgelegd. Nu belanghebbende ieder aangiftetijdvak (van een maand) de keuze had kunnen maken de belasting tijdig te betalen, doch dat niet heeft gedaan, ziet het Hof geen aanleiding de boete in verband hiermee te matigen.

Andere verzachtende omstandigheden

4.15Het Hof is met de Rechtbank van oordeel dat de ziekte en het overlijden van de medewerkster van belanghebbende die belast was met de interne administratie en het doen van aangifte omzetbelasting evenmin aanleiding geeft tot het matigen van de opgelegde boetes. De Rechtbank heeft daarbij in aanmerking genomen dat door middel van de onderhavige naheffingsaanslagen de verschuldigde omzetbelasting over de jaren 2005 tot en met 2009 is nageheven, terwijl de ziekte van de medewerkster zich reeds in 2004 heeft geopenbaard. Het had op de weg van belanghebbende gelegen om tijdens de ziekte en na het overlijden van de medewerkster in 2007 maatregelen te treffen om te voorkomen dat onjuiste aangiften zouden worden ingediend en te weinig omzetbelasting zou worden betaald. Het Hof sluit zich bij dit oordeel en de daartoe gebezigde gronden aan.

4.16

De Rechtbank heeft voorts geoordeeld dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van liquiditeitsproblemen. Het Hof sluit zich eveneens bij dat oordeel aan.