VFP: Nieuwe wetgeving 2014

Weer een nieuw jaar met veel (snipper)wetgeving. Op veel terreinen wordt wetgeving aangepast. Vooral om de schatkist te vullen. In deze bijdrage worden enkele kleinere belangrijke veranderingen op een rijtje gezet. In eerdere nummers heeft u al kunnen lezen over de veranderingen rond wonen, belastingvrij schenkenen in dit nummer over de stamrechtvennootschappen. In deze bijdrage wordt daar dan ook weinig aandacht aanbesteed.
Sociale zekerheid

Wet Werk en Zekerheid
Het ontslagrecht wordt sneller, goedkoper en eerlijker, aldus de Memorie van Toelichting.
De rechtspositie van flexwerkers wordt versterkt.
De WW wordt er meer op gericht om mensen weer snel aan het werk te krijgen.
De voorstellen van minister Asscher vloeien voort uit het sociaal akkoord dat kabinet en sociale partners – met instemming van hun achterbannen – in april van dit jaar sloten. Wat toen werd afgesproken met vakbonden en werkgeversorganisaties is nu door de minister in een wetsvoorstel uitgewerkt.
In het begrotingsakkoord van oktober dit jaar heeft het kabinet afspraken gemaakt met de Tweede Kamerfracties van ChristenUnie, D66, PvdA, SGP en VVD over versnelde invoering van de voorgestelde maatregelen. Als de Tweede Kamer en Eerste Kamer akkoord gaan, kan de versterkte rechtspositie van flexwerkers vanaf 1 juli 2014 ingaan, en hervorming van het ontslagrecht en het eerdere aanvaarden van passende arbeid in de WW vanaf 1 juli 2015.
Ontslag
Er is een nieuw soort vergoeding bij ontslag: de transitievergoeding. Alle werknemers krijgen na een arbeidsovereenkomst van ten minste twee jaar recht op deze vergoeding die gebruikt kan worden voor scholing en om over te stappen naar een andere baan of een ander beroep.
Deze transitievergoeding wordt afhankelijk van de duur van een dienstverband. De regel is: ⅓ maandsalaris per dienstjaar en ½ maandsalaris per dienstjaar dat men langer dan tien jaar in dienst is geweest. De vergoeding wordt maximaal € 75.000, en maximaal een jaarsalaris voor mensen die meer dan € 75.000 per jaar verdienen.
Om rechtsongelijkheid bij ontslag te bestrijden, wil de minister werkgevers niet meer zelf laten kiezen of ze werknemers via de kantonrechter of via het UWV ontslaan. Die mogelijkheid maakt het ontslagstelsel onnodig complex en leidt tot ongelijke behandeling in gelijke gevallen. Nu krijgt de ene werknemer, via de kantonrechter, een gouden handdruk, terwijl de andere werknemer, via het UWV, zonder vergoeding op straat komt te staan.
Met de Wet Werk en Zekerheid komt er een vast voorgeschreven route: ontslag om bedrijfseconomische reden gaat via het UWV en ontslag om persoonlijke redenen wordt door de kantonrechter beoordeeld. De procedures zullen sneller verlopen.
In alle gevallen krijgt de werknemer recht op een wettelijke transitievergoeding. Door deze verandering dalen de gemiddelde kosten van ontslag voor werkgevers.
De wettelijke bescherming tegen willekeur bij ontslag blijft onverminderd bestaan. Minister Asscher houdt vast aan preventieve toetsing.
Vaste en flexibele arbeidscontracten
Om te voorkomen dat werknemers te lang en tegen hun zin met opeenvolgende tijdelijke contracten voor dezelfde werkgever werken, kunnen ze straks eerder aanspraak maken op een vast contract. Niet na drie jaar, zoals nu, maar al na twee jaar.
Oneigenlijk gebruik van flexibele arbeidsvormen wordt aangepakt. Zo komt er een betere ontslagbescherming voor werknemers die via payrolling werken en wordt het langdurig gebruik van 0-urencontracten aan banden gelegd en in de zorg helemaal verboden.
Werkloosheidswet (WW)
Met de voorgestelde veranderingen (per 1 juli 2015) van ontslagrecht en Werkloosheidswet wordt gekozen voor een meer activerende aanpak om werkloosheid te voorkomen. Samen met sociale partners wil de minister werknemers die hun baan verliezen zo snel mogelijk van werk naar werk begeleiden en zo kort mogelijk werkloos laten zijn. Van mensen die langer dan een half jaar in de WW zitten, wordt verwacht dat ze al het beschikbare werk als passende arbeid aanvaarden. Door een nieuw systeem van inkomensverrekening wordt voorkomen dat mensen daarbij minder gaan verdienen dan ze in de WW als uitkering kregen. Werkhervatting vanuit de WW wordt altijd lonend.
De maximale duur van de publiek betaalde WW wordt van 1 januari 2016 tot 2019 stapje voor stapje teruggebracht van 38 naar 24 maanden. Werkgevers en werknemers kunnen in de cao afspraken maken om de WW-uitkeringen na 24 maanden – tot 38 maanden – uit eigen zak te betalen.
Berekening dagloon
Voor de berekening van het dagloon wordt uitgegaan van het loon dat de werknemer in het refertejaar (het jaar voorafgaande aan de ziekte) gemiddeld per dag heeft verdiend (historisch dagloon). Het moet daarbij sinds juni 2013 gaan om het dienstverband waarbinnen de werknemer ziek is geworden. Als een werknemer ziek is geworden en het dienstverband is korter dan het refertejaar, dan wordt de referteperiode gesteld op de duur van het dienstverband. In het Dagloonbesluit Werknemersverzekeringen is geregeld welke inkomensbestanddelen tot het dagloon worden gerekend. De in het referteperiode door de werkgever uitbetaalde vakantiebijslag blijft buiten de berekening van het dagloon. In plaats daarvan wordt het loon van werknemers die recht hebben op vakantiebijslag, verhoogd met 8% van het loon als vakantiebijslag. Voor de berekening van de uitkering geldt een maximum dagloon van € 194,85 (2013).
Ondernemers

Borgstelling MKB-kredieten (BMKB)
Een mkb-ondernemer kan een borgstelling krijgen voor een gedeelte van een krediet voor de start van een bedrijf. Daardoor kan er meer bij de bank worden geleend dan alleen op basis van het onderpand zou kunnen. De bank en andere financiers kunnen bij de overheid een beroep doen op de Borgstelling MKB-kredieten. De overheid staat sinds 1 november 2013 tijdelijk voor maximaal € 1,5 miljoen garant. Sluit een starter bij de bank een starterslening van maximaal € 266.667 af, dan staat de overheid borg voor 67,5%.
KvK en Syntens samengevoegd tot ondernemerspleinen
De 12 regionale Kamers van Koophandel (KvK) en Syntens worden samengevoegd tot één zelfstandig bestuursorgaan (ZBO). Deze nieuwe organisatie gaat nauw samenwerken met Antwoord voor bedrijven en Agentschap NL.
Het nieuwe centraal bestuurde zelfstandig bestuursorgaan (ZBO) vormt daarmee de basis voor de ondernemerspleinen en wordt via de rijksbegroting gefinancierd. Vanaf 1 januari kan de ondernemer dan ook op één plek terecht voor alle informatie, voorlichting en advies over ondernemerschap en (digitale) transacties met de overheid.
Er komt één digitaal Ondernemersplein als hét portaal voor zakendoen met de overheid. Er komt een aantal fysieke loketten verspreid door Nederland.
DGA’S

Het tarief in box 2 is eenmalig in 2014 verlaagd van 25% naar 22%. Dit verlaagde tarief geldt alleen voor de eerste € 250.000 van het belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang.
Particulieren

Wonen
Van de totale € 5,3 miljard die wordt teruggesluisd, komt naar de huidige inzichten circa 80% terecht bij de groep kopers en de rest bij de groep niet-kopers. Op de vraag van de leden van de GL-fractie naar de verdeling van het deel van de terugsluis dat terecht komt bij huurders naar drie inkomensgroepen kan ik antwoorden dat van de circa 20% van de terugsluis die terecht komt bij niet-kopers:
1.
circa 15% terecht komt bij niet-kopers met een inkomen tot € 33.614,
2.
circa 13% bij niet-kopers met een inkomen van € 33.614 tot en met € 43.000 en
3.
circa 72% bij niet-kopers met een inkomen boven de € 43.000.
Omdat een deel van de opbrengst (die volledig door kopers wordt opgebracht) terugvloeit naar huurders is, zoals ook in het voorgaande is toegelicht, in de memorie van toelichting gesteld dat het samenstel van de opbrengst van de introductie van de aflossingseis en de generieke terugsluis daarvan, profijtelijker is voor huurders dan voor eigenwoning- bezitters. Dit is echter inherent aan een generieke terugsluis.
Tabel Eigenwoningforfait 2014
WOZ-waarde van de woning Eigenwoningforfait op jaarbasis gesteld op
meer dan maar minder dan
€ 12.500 Nihil
€ 12.500 € 25.000 0,25% van deze waarde
€ 25.000 € 50.000 0,40% van deze waarde
€ 50.000 € 75.000 0,55% van deze waarde
€ 75.000 € 1.040.000 0,70% van deze waarde
€ 1.040.000 € 7.350 vermeerderd met 1,8% van de eigenwoning- waarde voor zover deze uitgaat boven € 1.040.000.
Niet-fiscale maatregelen wonen

De koopsector kent geen directe Rijkssubsidies voor het kopen van een woning. Er bestaan wel regelingen die een financieel voordeel kunnen opleveren voor de eigenwoningbezitter, zoals:
-
Het Nationaal Energiebespaarfonds: Met het Nationaal Energiebespaarfonds kunnen huizenbezitters een goedkope lening afsluiten om energiebesparende maatregelen te financieren. Het totaalbedrag van het fonds voor particuliere huiseigenaren komt uit op € 300 miljoen waarvan € 75 miljoen is ingebracht door het Rijk. Daarnaast brengt de Rabobank € 175 miljoen in en ASN Bank € 50 miljoen.
-
Startersleningen: Er wordt eenmalig € 50 miljoen vrijgemaakt voor startersleningen van het Stimuleringsfonds Volkshuisvesting Nederlandse gemeenten.
-
Nationale Hypotheek Garantie: De NHG wordt per 1 juli 2014 teruggebracht tot een bedrag van € 265.000. Daarna zal de NHG met jaarlijkse stappen worden teruggebracht, totdat op 1 juli 2016 een niveau is bereikt van € 225.000. Na 2016 is het uitgangspunt de NHG te koppelen aan de gemiddelde woningprijs. Sinds 1 juli 2013 kunnen huiseigenaren bij verkoop van hun woning onder voorwaarden een restschuld meefinancieren in een nieuwe hypotheek met NHG.
Giften

Giften worden door de wetgever gedefinieerd als bevoordelingen uit vrijgevigheid en verplichte bijdragen waar geen directe tegenprestatie tegenover staat. Binnen de wet wordt een onderscheid gemaakt tussen periodieke giften en andere giften.
Periodieke giften zijn giften in termijnen van een lijfrente aan kerkelijke, levensbeschouwelijke, charitatieve, culturele, wetenschappelijke of algemeen nut beogende instellingen, die door de belastingdienst als zodanig is aangemerkt en gevestigd is in EU-lidstaat, Aruba, Curaçao, Sint Maarten, of BES-eilanden of in ander aangewezen land of aan een niet aan vennootschapsbelasting onderworpen vereniging met ten minste 25 leden en gevestigd is in EU-lidstaat.
Andere giften zijn giften aan een instelling die is geregistreerd als een algemeen nut beogende instelling (ANBI).
Periodieke giften zijn aftrekbaar indien het een jaarlijkse verplichting voor ten minste vijf jaar is. Vanaf 2014 is geen notariële akte meer vereist.
Om als ANBI te worden aangemerkt moet een instelling voor ten minste 90% het algemeen nut beogen, zodat onbedoeld gebruik wordt tegengegaan. Daarnaast is er een integriteittoets ingevoerd. De belastinginspecteur kan de ANBI- beschikking weigeren of intrekken. Dit kan indien de ANBI zelf, een bestuurder of een feitelijk leidinggevende van een ANBI, dan wel een voor de ANBI gezichtsbepalend persoon in de afgelopen vier jaar door een Nederlandse strafrechter onherroepelijk is veroordeeld wegens aanzetten tot haat, aanzetten tot geweld of gebruik van geweld.
Vanaf 1 januari 2014 gelden er nieuwe (strengere) regels voor de ANBI. Zo moet de ANBI, vanaf die datum, de volgende gegevens op haar eigen site publiceren:
de naam van de instelling
het RSIN/fiscaal nummer
de contactgegevens
de doelstelling
het beleidsplan
de bestuurssamenstelling
de namen van de bestuurders
het beloningsbeleid
een verslag van de uitgeoefende activiteiten
een financiële verantwoording
Heffingskortingen

Algemene heffingskorting
Iedere belastingplichtige heeft recht op de algemene heffingskorting. Vanaf 1 januari 2014 is de algemene heffingskorting inkomensafhankelijk gemaakt. Dat betekent dat vanaf een inkomen van € 19.645 de algemene heffingskorting lager wordt naarmate het belastbare inkomen uit werk en woning stijgt. De algemene heffingskorting kan – ongeacht de hoogte van het belastbare inkomen uit werk en woning – evenwel niet lager worden dan € 1.366 (vanaf de AOW-gerechtigde leeftijd € 693).
Partners hebben allebei recht op deze heffingskorting. Als een van de partners geen of weinig inkomsten heeft en dus zijn eigen heffingskorting niet (helemaal) gebruikt, kan hij onder voorwaarden (een deel van) het bedrag rechtstreeks uitbetaald krijgen door de belastingdienst.
Voorwaarde voor uitbetaling is dat de partner van de belastingplichtige voldoende inkomen heeft en daarbij voldoende belasting betaalt. Deze uitbetaling van de algemene heffingskorting aan de minstverdienende partner wordt afgebouwd in 15 jaar tijd met 6,67% per jaar. De afbouw is gestart in 2009. Dit betekent dat er in 2014 ten hoogste 60% of € 1.262 van de algemene heffingskorting wordt uitbetaald aan de minstverdienende partner. Deze afbouw geldt niet voor de belastingplichtige die geboren is voor 1 januari 1963.
Arbeidskorting
Een belastingplichtige heeft recht op arbeidskorting als hij een of meer van de volgende inkomsten heeft: loon, winst uit onderneming of resultaat uit overige werkzaamheden. Die inkomsten moeten met tegenwoordige arbeid worden genoten. Zie voor de nieuwe maximumbedragen van de arbeidskorting voor 2014 de overzichtstabel. De hoogte van de arbeidskorting is afhankelijk van het gezamenlijk bedrag van de hiervoor bedoelde inkomsten uit tegenwoordige arbeid (het arbeidsinkomen) en het maximum van de arbeidskorting. Met ingang van 2014 wordt de arbeidskorting voor hogere inkomens in drie stappen verder afgebouwd, uiteindelijk tot nihil.
Werkbonus
Een belastingplichtige met arbeidsinkomen heeft recht op de werkbonus als hij bij het begin van het kalenderjaar de leeftijd van 60 jaar heeft bereikt maar nog niet de leeftijd van 64 jaar. De opbouw van de werkbonus begint bij 90% van het wettelijk minimumloon en bedraagt maximaal € 1.119 (€ 1.100). Dit maximum wordt bereikt bij een inkomen vanaf 100% van het wettelijk minimumloon en loopt door tot 120% van het wettelijk minimumloon. Boven 120% van het wettelijk minimumloon wordt de werkbonus lineair afgebouwd tot nihil bij 175% van het wettelijk minimumloon.
Inkomensafhankelijke combinatiekorting
De inkomensafhankelijke combinatiekorting geldt voor minstverdienende partners en alleenstaande ouders die de zorg hebben voor kinderen onder de 12 jaar. Het basisbedrag van deze heffingskorting is € 1.024 indien met werken een arbeidsinkomen van minimaal € 4.814 wordt verdiend of indien er recht bestaat op de zelfstandigenaftrek. Voor elke euro die meer wordt verdiend dan € 4.814 loopt de inkomensafhankelijke combinatiekorting met 4% op tot maximaal € 2.133. Dit maximale bedrag wordt bereikt bij een arbeidsinkomen van € 32.539.
Ouderschapsverlofkorting
De ouderschapsverlofkorting geldt voor de belastingplichtige die in 2014 gebruikmaakt van zijn wettelijke recht op ouderschapsverlof. De korting wordt berekend door het aantal uren ouderschapsverlof in het kalenderjaar te vermenigvuldigen met een bedrag van 50% van het brutominimumuurloon per opgenomen verlofuur en bedraagt voor 2014 € 4,29 per verlofuur. De korting bedraagt niet meer dan de terugval in het belastbare loon in 2014 ten opzichte van 2013.
Alleenstaande-ouderkorting
Een belastingplichtige heeft recht op de alleenstaande-ouderkorting als hij in 2014 meer dan zes maanden:
geen partner heeft;
een huishouden voert met een kind dat hij/zij in belangrijke mate onderhoudt en dat
op hetzelfde adres ingeschreven staat
deze huishouding uitsluitend voert met kinderen van wie minimaal één kind op 1 januari 2014 de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft bereikt.
De hoogte van de alleenstaande-ouderkorting bedraagt € 947. Dit bedrag wordt vermeerderd met 4,3% van het arbeidsinkomen, maar maximaal met € 1.319 indien het kind bij de aanvang van het kalenderjaar de leeftijd van 16 jaar niet heeft bereikt.
Jonggehandicaptenkorting
De jonggehandicaptenkorting bedraagt € 708 en geldt voor de belastingplichtige die in het kalenderjaar recht heeft op een uitkering op grond van de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten (een zogenoemde Wajonguitkering), tenzij voor hem de ouderenkorting geldt. Belastingplichtigen komen ook voor de jonggehandicaptenkorting in aanmerking, indien weliswaar recht bestaat op een Wajonguitkering, maar niet daadwerkelijk een Wajonguitkering wordt ontvangen vanwege het hebben van een andere uitkering of ander inkomen uit arbeid.
Ouderenkorting
Een belastingplichtige heeft recht op de ouderenkorting als hij op 31 december 2014 de AOW-leeftijd heeft bereikt en een verzamelinkomen heeft van niet meer dan € 35.450. De ouderenkorting bedraagt € 1.032. De ouderenkorting bedraagt € 150 bij een inkomen boven € 35.450.
Alleenstaande ouderenkorting
Een belastingplichtige heeft recht op de alleenstaande ouderenkorting als hij recht heeft op een AOW-uitkering voor alleenstaanden. De alleenstaande ouderenkorting bedraagt € 429.
Korting voor groene beleggingen
De korting bedraagt 0,7% van het bedrag dat daarvoor is vrijgesteld op grond van de bepalingen in box 3. Een groene belegging is een belegging in een groen fonds. Een groen fonds is een fonds dat zich hoofdzakelijk bezighoudt met het direct of indirect verstrekken van kredieten ten behoeve van projecten in het belang van de bescherming van het milieu, waaronder natuur en bos, of het direct of indirect beleggen van vermogen in dergelijke projecten.
Inkeerregeling

Er bestaat een mogelijkheid om zonder boete vrijwillig de aangifte te verbeteren. Echter, belastingplichtigen die langer dan twee jaar spaargeld verzwijgen, kunnen bij vrijwillige verbetering een boete van 30% krijgen. Met verbeteren wordt bedoeld het alsnog doen van een juiste en volledige aangifte of het verstrekken van juiste en volledige inlichtingen door de belastingplichtige vóórdat hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat de inspecteur met de onjuistheid of onvolledigheid bekend is of bekend zal worden. Deze zogenoemde inkeerregeling van art. 67n AWR is per 2 september 2013 tot 1 juli 2014 (opnieuw) tijdelijk verruimd. Dit houdt in dat ook bij een vrijwillige verbetering na twee jaar geen vergrijpboete zal worden opgelegd. Deze versoepeling houdt verband met de inmiddels voorgestelde wetswijziging waardoor de navorderingstermijn wordt opgerekt van vijf jaar naar 12 jaar. Na 1 juli 2014 herleeft de inkeerregeling zoals deze gold voor 2 september 2013. Vanaf 1 juli 2015 volgt een aanscherping van de inkeerregeling. Dan wordt de vergrijpboete bij inkeer na twee jaar verdubbeld tot 60% van het wettelijk maximum.
Successiewet

Daarbij hebben zowel ABN AMRO, ING, Rabobank als SNS extra ruimte voor boetevrije aflossingen gecreëerd. ABN AMRO en ING hebben dat gedaan voor klanten die een hypotheekschuld hebben die groter is dan de waarde van de woning. Rabobank en SNS hebben boetevrij aflossen mogelijk gemaakt indien wordt afgelost met een schenking waarbij een beroep wordt gedaan op de eenmalig verhoogde schenkingsvrijstelling van maximaal € 100.000. Indien consumenten een potentiële restschuld hebben, kunnen zij bij alle genoemde banken een eventuele schenking (waarbij een beroep wordt gedaan op de eenmalig verhoogde schenkingsvrijstelling) gebruiken voor aflossing van een deel van de eigenwoningschuld zonder dat door de bank boeterente in rekening wordt gebracht. Gezien de doelstelling van de maatregel, een tijdelijke stimulans voor de woningmarkt, is dat belangrijk. Het is echter niet in alle gevallen bij alle grootbanken mogelijk om de onder de vrijstelling verkregen (maximaal) € 100.000 boetevrij af te lossen. In dat kader heeft de Staatssecretaris van Financiën op aandringen van de Tweede Kamer aangegeven om met de banken waar boetevrij aflossen niet in alle gevallen mogelijk is in gesprek te gaan om deze banken andermaal op het hart te drukken dat het erg mooi zou zijn als zij de boeterente ook in andere gevallen achterwege zouden laten. Deze gesprekken vinden nog voor aanvang van het Kerstreces plaats.
Buitensporige bonussen kunnen worden aangepast of teruggevorderd

Buitensporige bonussen kunnen vanaf 1 januari 2014 worden aangepast of teruggevorderd (art. 2:135 lid 6-8, art. 2:245 lid 2 en art. 2:383c lid 6BW). Dat geldt voor bonussen die achteraf bezien zijn toegekend op basis van onjuiste informatie (‘claw back’) en voor bonussen waarvan uitkering wegens onredelijkheid en onbillijkheid niet kan worden gerechtvaardigd.
De regeling geldt voor bestuurders van alle NV’s en van alle financiële ondernemingen, waaronder banken, verzekeraars en beleggingsondernemingen. Voor financiële ondernemingen geldt bovendien dat ook dagelijks beleidsbepalers worden geraakt.
De raad van commissarissen kan de hoogte van de bonus aanpassen als uitkering ervan naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. Dit is bijvoorbeeld het geval indien de economische situatie van het bedrijf ongunstig is terwijl met die omstandigheid onvoldoende rekening is gehouden toen de bonus in het vooruitzicht werd gesteld. Een terugvordering is bijvoorbeeld mogelijk als achteraf blijkt dat de doelen waarop de bonus is gebaseerd in werkelijkheid niet zijn bereikt. De raad van commissarissen legt via het jaarverslag verantwoording af aan de algemene vergadering over het al dan niet gebruik maken van de bevoegdheden tot aanpassing of terugvordering.
Verder moeten beursgenoteerde NV’s bij een openbaar bod, een besluit dat het karakter van de vennootschap ingrijpend wijzigt, een juridische fusie of splitsing, de koerswinst die een bestuurder heeft behaald op de aandelen die hem als beloning zijn toegekend, verrekenen met de beloning die hij nog tegoed heeft. De verrekening vindt plaats als de bestuurder zijn aandelen verkoopt of als hij vertrekt bij de vennootschap.
Ten slotte verplicht de wet om de jaarlijkse rapportage over de beloningen van bestuurders op de algemene vergadering afzonderlijk te bespreken voorafgaande aan de vaststelling van de jaarrekening.