Hoge Raad, 3 oktober 2014, nr. 13/05364

De Hoge Raad oordeelt dat de ontvanger op grond van het zorgvuldigheidsbeginsel niet verplicht is de in de art. 33 en 36b Inv. 1990 voorziene mogelijkheden tot aansprakelijkstelling bij uitsluiting die te kiezen welke de heer X de gunstigste uitgangspositie biedt om zijn aansprakelijkheid met vrucht te betwisten.

Belanghebbende, de heer X, is aandeelhouder in en bestuurder van een aantal bv’s (hierna de E Groep). Eén van deze bv’s bezit een stuk bouwgrond. X sluit met de heer G van de H Groep een samenwerkingsovereenkomst met het oog op het voor gemeenschappelijke rekening ontwikkelen van deze grond. In het kader hiervan wordt A cv opgericht. Beherend vennoot is I Beheer bv. De aandelen in deze bv worden voor 50% gehouden door de E Groep en 50% door de H Groep. In geschil is of X als middellijk bestuurder van A cv door de ontvanger terecht hoofdelijk aansprakelijk is gesteld voor een naheffingsaanslag van de inmiddels ontbonden A cv. Rechtbank Arnhem oordeelt dat de ontvanger X direct als de uiteindelijke natuurlijke persoon/bestuurder kan aanspreken. Hof Arnhem-Leeuwarden oordeelt dat de ontvanger het zorgvuldigheidsbeginsel niet heeft geschonden door X aansprakelijk te stellen op grond van art. 33 Inv. 1990 in plaats van eerst I Beheer bv aansprakelijk te stellen en vervolgens X op de voet van art. 36b Inv. 1990. X stelt in cassatie dat de keuze van de ontvanger om hem op grond van art. 33 aansprakelijk te stellen tot gevolg heeft dat hem een belangrijke disculpatiemogelijkheid is onthouden omdat laatstgenoemd artikel geen meldingsregeling bevat. De Hoge Raad oordeelt dat de ontvanger op grond van het zorgvuldigheidsbeginsel niet verplicht is de in de art. 33 en 36b voorziene mogelijkheden tot aansprakelijkstelling bij uitsluiting die te kiezen welke X de gunstigste uitgangspositie biedt om zijn aansprakelijkheid met vrucht te betwisten. Mede in aanmerking genomen dat de Leidraad Invordering 2008 geen beleidsregel van deze strekking bevat, vindt het betoog van X geen steun in het recht. De verschillende aansprakelijkheidsregelingen staan voorts in beginsel los staan van elkaar. In beide gevallen treedt de aansprakelijkheid van rechtswege in. Hieraan doet niet af dat de ontvanger pas invorderingsmaatregelen jegens de aansprakelijke kan nemen nadat een aansprakelijkstelling heeft plaatsgevonden. Voorts is van belang dat het hier gaat om hoofdelijke aansprakelijkheden en dat de wettelijke regeling niet voorschrijft dat de ontvanger een bepaalde volgorde in acht neemt, indien hij een hoofdelijk aansprakelijke wil aanspreken. Het beroep van X is ongegrond.

Aantekeningen:

volgorde aansprakelijkstelling

1. art. 33, lid 1, Invw: hoofdelijk aansprakelijk voor de rijksbelastingen, verschuldigd door een lichaam zonder rechtspersoonlijkheid, ieder van de bestuurders.
2. art, 33, lid 3, Invw: voor de toepassing van dit artikel, ingeval een bestuurder van een lichaam zelf een lichaam is, onder ‘bestuurder’ mede verstaan ieder van de bestuurders van het laatstbedoelde lichaam.
3. art. 33, lid 4, Inw: een bestuurder is niet aansprakelijk voor zover hij bewijst dat het niet aan hem is te wijten dat de belasting niet is voldaan.
4. art. 36b, lid 1, onderdeel a, Invw: ieder van de bestuurders is hoofdelijk aansprakelijk voor de omzetbelasting waarvoor een rechtspersoonlijkheid bezittend lichaam bij beschikking aansprakelijk is gesteld.
5. art. 36b, lid 2, Inw: de ‘meldingsregeling’ van art. 36, lid 2, Invw is van overeenkomstige toepassing.
6. niet in geschil is dat niet alleen de bv maar ook de belanghebbende aansprakelijk (ogv 33, lid 3, Invw) is.
7.  niet in geschil is dat dit artikel geen volgorde bevat voor de aansprakelijkstelling.
8. belanghebbende meent dat de inspecteur eerst de bv als onmiddellijk bestuurder aansprakelijk had moeten stellen. Pas nadat de bv evenmin tot betaling zou overgaan tot belanghebbende ex art. 36b Invw.
9. belanghebbende stelt dat de ontvanger hem beperkt in zijn mogelijkheden om zich te verzetten tegen de aansprakelijkstelling daar art. 33 Invw, anders dan art. 36b Invw, geen meldingsregeling kent.
10. HR: nu de wet geen volgorde aangeeft is sprake van een discretionaire bevoegdheid waarin de rechter niet treedt. Dit zou anders zijn indien hetzij de Leidraad Inv hetzij de abbbb tot een andere keuze zouden nopen. Hetgeen i.c. hier niet het geval is.