Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 17 juli 2013, AWB 12/4606

Belanghebbende heeft de aangifte vennootschapsbelasting 15 dagen te laat ingediend. De inspecteur heeft ruim een maand later de definitieve aanslag opgelegd naar een te betalen bedrag van nihil. Nu de inspecteur ten tijde van het opleggen van de definitieve aanslag de beschikking had over de door belanghebbende verstrekte gegevens en deze gegevens, net als in de voorafgaande jaren, tot een te betalen bedrag van nihil leidden, ziet de rechtbank aanleiding de boete te verminderen tot € 1.000. De rechtbank neemt hierbij tevens in aanmerking dat uit de parlementaire geschiedenis blijkt dat met de verhoging van de verzuimboete wegens aangifteverzuimen onder meer wordt beoogd een bijdrage te leveren aan het terugdringen van bezwaarschriften tegen belastingaanslagen naar geschatte bedragen. Naar het oordeel van de rechtbank gaat dit door de wetgever van belang bevonden argument in het onderhavige geval niet op, nu de aangifte voorhanden was.

2.9 Belanghebbende heeft de aangifte ingediend op 31 januari 2012, zijnde 15 dagen na afloop van de in de aanmaning gestelde termijn. Op 3 maart 2012 heeft de inspecteur de definitieve aanslag opgelegd naar een te betalen bedrag van nihil. Belanghebbende heeft de aangifte weliswaar te laat ingediend, maar nu de inspecteur op 3 maart 2012 de definitieve aanslag heeft opgelegd, had de inspecteur ten tijde van het opleggen van de definitieve aanslag de beschikking over de door belanghebbende verstrekte gegevens. Die gegevens leidden, net als in de voorafgaande jaren, tot een te betalen bedrag van nihil. Gelet op voornoemde omstandigheden ziet de rechtbank aanleiding de aan belanghebbende opgelegde verzuimboete te matigen. Hierbij heeft de rechtbank mede het volgende van belang geacht. Blijkens de parlementaire geschiedenis beoogt de verhoging van de verzuimboete wegens aangifteverzuimen onder meer een bijdrage te leveren aan het terugdringen van bezwaarschriften tegen belastingaanslagen naar geschatte bedragen. Daarbij is opgemerkt dat het maken van een goede schatting een ingewikkeld en tijdrovend proces is met een bezwaarschrift tot gevolg als de belastingaanslag naar de mening van de belastingplichtige te hoog is vastgesteld. Vgl. Kamerstukken II 2008-2009, 32 128, nr. 3, p. 34. Dit door de wetgever van belang bevonden argument voor de verhoging van het wettelijk maximum gaat naar het oordeel van de rechtbank in het onderhavige geval niet op nu ten tijde van de schatting de aangifte voorhanden was.

2.10.

Belanghebbendes beroep op de uitspraak van gerechtshof Arnhem van 24 april 2012, nr. 11/00668, LJN: BW5519, kan haar niet baten, nu de belanghebbende in dat geval zelf meerdere malen actie had ondernomen om zorg te dragen voor het tijdig doen van aangifte en het daar ging om een pas opgerichte vennootschap. In het onderhavige geval is van beide omstandigheden geen sprake. De rechtbank overweegt daarbij dat aan belanghebbende in voorgaande jaren tevens herinneringen en aanmaningen zijn gezonden alvorens belanghebbende aangifte deed en bij de aanslag over 2009 aan belanghebbende een verzuimboete is opgelegd, welke vervolgens is vernietigd.

2.11.

Naar het oordeel van de rechtbank is een verzuimboete van € 1.000 in het onderhavige geval passend en geboden. Derhalve is het beroep gegrond verklaard.